Lydia DEVEEN-DEPAUW

 

Jacques Rozenberg mag niet worden vergeten.

Hij onderging Auschwitz van 1943 tot 1945, maar ging er niet ten onder.
Hij overleefde de Dodenmars van Auschwitz naar Dachau.
Hij zweeg niet, maar schreef en schilderde zijn belevenissen uit.
Deze scheppingen zijn meer dan getuigenissen, ze betekenen een actieve deelname aan de strijd tegen extreem rechts en aan de verdediging van de mensenrechten.  Zijn werk is de weerspiegeling van zijn idealen en, ondanks alles, ook de uiting van zijn hoop in de toekomst, zelfs in de hedendaagse maatschappij die hem zo sterk had ontgoocheld.

Kort voor zijn dood, op 1 augustus 1999, schreef hij een gedachte neer, die als een rode draad doorheen zijn werken loopt : “Acteur d’une mémoire personnelle et collective, la conserver ne peut suffire, la dire est  un devoir, afin d’éviter que l’avenir ne devienne la répétition d’un passé d’horreurs et de morts”.

In zijn teksten  beschreef hij, op een bijna zakelijke toon, de afschuwelijke verschrikkingen die hij had meegemaakt, maar in zijn schilderijen  heeft hij de vrije loop gegeven aan zijn gevoelens, aan zijn angsten, zijn vragen over de zin van de gruwel in de concentratiekampen.  Diepe gevoelens  en gemoedstoestanden die hij met een overdaad aan kleuren, een wirwar van vlekken en strepen in zenuwachtig bewegende toetsen uitbeeldt. Een aantal subtielere composities hebben wit als hoofdkleur, maar ze zijn even bewogen en trillend van emotie. Zijn schilderijen zijn geen illustraties van zijn teksten, maar innig persoonlijke reacties, heviger en tragischer dan zijn teksten.  Men ontwaart opeenvolgende lagen verf, die naar verschillende dieptes lijken te verwijzen, waarin de onderste lagen van zijn gevoelens worden omgewoeld en aangegrepen door de gruwel en het onbegrijpelijke van de folterende en moordende handelingen.  Sommige elementen kunnen als fel geschonden menselijke lichamen en aangezichten worden geïnterpreteerd.  Terwijl zijn teksten afschuw opwekken in onze geest, treffen zijn schilderijen rechtstreeks ons gemoed.  Ze zijn veel meer dan estehetische scheppingen met mooie kleuren, ze maken  de toeschouwers bewust van de ontaarding van het extreem rechts gedachtengoed.

Maar Jacques Rozenberg beperkte  zich niet tot die ellendige  historische jaren.  De naoorlogse gebeurtinissen en evoluties in de maatschappij bekijkt hij met een kritisch oog en hij is er diep door verbitterd.  Hij heeft het over ”ce monde immonde” (deze  smerige wereld), de oorlogen, de hongersnood, de hyprocrisie, het onrecht, het negeren van de mensenrechten, de onverschilligheid t.a.v. al die rampzalige toestanden,  
En  zijn razernij inspireert hem opnieuw  teksten en bewogen schilderijen , hevig en intens als de vorige. Maar evenmin  als tijdens de oorlog, laat hij zich ontmoedigen, er is hoop, er is liefde, men moet kunnen dromen. Het verwondert  ons dan ook niet dat hij een serie schilderijen wijdt aan “De droom van Don Quichotte”.  Het zijn meer    gestructureerde composities, maar steeds krachtig spetterend door de elkaar kruisende pijlrechte kleurenstrepen. Hij gelooft in Don Quichotte,  hij verliest de hoop op een betere wereld niet.  Ook tijdens zijn laatste jaren, toen een zware ziekte hem pijnigde bleef hij optimistisch en uitte hij zijn levensvreugde.  Hij genoot hartstochtelijk van muziek, ze verblijdde hem.  In zijn jeugd  was hij immers violist geweest.  De oorlog stelde een einde aan zijn carrière, maar muziek bleef voor hem essentieel.


In het laatste deel van het boek zijn teksten en schilderijen verzameld, die niet alleen verwijzen naar zijn oorlogservaringen, naar wantoestanden en naar de opgang van extreem rechts, maar die ook een weergave zijn van die levensfilosofie, van dat optimisme van zijn dromerijen  van poëtische  gemoedstoestanden, van zijn wil bij te dragen  tot een betere liefdevolle wereld, van zijn alles overheersende liefde voor het leven, hoe hard het ook voor hem was geweest.

Jacques Rozenberg mag dus niet ontbreken, noch op de lijst van de overlevende getuigen van Auschwitz, noch onder het grote aantal schrijvers èn over de concentratiekampen, èn over de naoorlogse wereld, noch onder de in alle landen door de oorlogsellende geïnspireerde kunstenaars.  Onder deze laatsten neemt hij bovendien een bijzondere plaats in, omdat hij niet de verschrikkingen in beeld bracht, maar met een sterke intensiteit en met grote bewogenheid zijn hevige reacties uitdrukte. Zijn levensfilosofie, zijn liefde  voor de mens en zijn moed verlenen bovendien een aparte dimensie aan zijn persoonlijkheid.

Lydia DEVEEN-DEPAUW  
Staatsseccretaris voor het Brussels Gewest – Regering Martens IV