Over de plicht te zijn en te getuigen: Jaworzjno
Auschwitz, de wind neme het mee
Als eerbetoon aan de elf metselaars
Die in Jaworzno – Auschwitz
Op 14 augustus 1944 werden opgehangen
Wegens vluchtpoging.
Wat er van de herinnering rest,
Reeds gedeeltelijk gedoezeld, uitgegomd,
Maakt na schifting plaats voor de nachtmerrie.
Wat de uiterste gruwel was,
Wordt gebagatelliseerd door de verschrikkingen
Die ons tegenwoordig door de strot worden geduwd,
In de maag gesplitst.
Nog maar eens worden we om de tuin geleid
Met medeplichtigheid van onze heren der universiteit.
De mens, maar al te vaak een complete nul,
Zowel de bolleboos als de grootste sul,
De eerste, door zijn kennis opgeblazen,
Acht zich zeker van zijn macht:
Deze wereld in een betere doen omslaan.
De sul van zijn kant, genageld, gekluisterd, gehypnotiseerd
Door het tv-beeld
Dat niet kan liegen,
Het gesjacher, het gekonkel, praktijken die hij niet doorziet.
Al wat er daar beweegt, laat hem zonder verweer, zonder vragen, zonder twijfels.
De waarheid, zijn waarheid vindt hij daar.
En soms verdient hij met een bankje van honderd zijn plaatsje in het paradijs.
Wat is het moeilijk een mens in hart en geest te zijn.
Auschwitz, geslachtofferd vee
Ze vormen met zijn elven het commando van Poolse metselaars in Jaworzjno, een bijkamp van Auschwitz.
Tien mannen en hun Kapo, afkomstig van Katowice of omliggende dorpen, gevangengezet als socialisten en verzetslieden. Strijders. Antisemieten.
Elf ongelooflijk antifascistische, socialistische, nationalistische en antisemitische Polen.
Elf bevoorrechten, ondergebracht in een apart hoekje van een der houten barakken die bestemd zijn voor de gevangenen. In de mijne.
De metselaars kregen grotere rantsoenen dan de andere kampbewoners en bovendien hadden ze van de SS toestemming om pakjes te krijgen van hun familie, die vlakbij woonde: brood, margarine, worst.
Al die tijd was het me toegestaan bij die metselaars te schooien op de dagen waarop de al half leeggeplunderde pakjes aankwamen.
Deze elf beter gevoede, sterkere bevoorrechten hadden de opdracht de stenen gebouwen van het kamp op te trekken.
Jaworzno was een zandravijn nabij een elektriciteitsfabriek, in aanbouw onder leiding van Duitse opzichters en onder bewaking van Kapo’s, die op hun beurt werden bewaakt door de onophoudelijke wachtronden van de SS.
Niet ver daarvandaan ook sinds jaren ondergelopen steenkolenmijnen. Wij, geselecteerd voor dat werk, moesten de uitermate gevaarlijk geworden winning weer opstarten. Onder het verrotte stutwerk, tot aan het middel in het water, zouden we er doodgaan door ongevallen of longontsteking. Wat maakte het uit? Andere slaven zouden meteen onze plaats innemen.
De enige Jood die door de metselaars werd aanvaard, vanaf het moment van hun aankomst, was ik, de kleine vioolspeler die walsen en tango’s speelde in gezelschap van de metselaarsbaas-accordeonist en Janos de gitarist, eveneens een van hen.
Drie keer per week lieten we ‘s avonds de paren dansen: de blokoversten, de kampcommandanten, samen met jeugdige loopjongens: ‘hun minnaars’.
En dat na een dag van twaalf uur ondraaglijke dwangarbeid.
Twee uren langer zwoegen, voor een extra gamel water waarin een aardappel dreef, een raap of twee, soms een homp brood die op de bodem van de ketel was achtergebleven.
Soms hadden we het geluk om voor de SS-kok te spelen. Dat werd een smulpartij! De soep was wat dikker.
Nu ik niet langer een naamloze was, kreeg ik op mijn beurt een voorrecht: dankzij deze elf metselaars werd ik hun hulpje.
Mijn taak: hun de bakstenen toewerpen die zij op elkaar metselden.
Handig als ik was, kreeg ik op een dag zelfs een steen op mijn hoofd die een van hen niet goed had opgevangen.
Daar heb ik duidelijk wat aan overgehouden.
Mijn eigenlijke taak: uitkijken of er geen SS’er aankwam, een seintje geven zodat de tunnel kon worden gecamoufleerd die deze elf Polen, in burgerkleding, eens te meer bevoorrecht dus, aan het graven waren. Hun plunje maakte het avontuur mogelijk.
Ze hadden een slaagkans. Die wilden ze aangrijpen.
Zo werd ik de onschuldige getuige van hun vluchtpoging.
De tunnel vertrok van het gebouw dat ze optrokken om uit te komen in het bosje achter de wachttorens, die dag en nacht door SS-bewakers werden bemand.
Met zijn elven beslissen ze op een zomeravond dat het nu of nooit is, dat ze die avond de weg naar de vrijheid zullen inslaan. Hun droom is binnen hun bereik. Ja, vandaag zal het gebeuren. Het is voor vandaag, zo hebben ze beslist.
Eén kampbewoner, één enkele, was genoeg om hen te verraden, hen uit te leveren aan de SS, een eind te maken aan die droom. Tegen welke prijs?
Eén brood, twee… drie… vier…
Wie zal het zeggen? De prijs van de overleving.
Met zijn elven hebben ze niet bedacht dat één hongerlijder die hun pad kruiste voldoende was om hun lot te bezegelen.
Met zijn elven hangen ze aan het eind van een touw te bengelen in de wind.
Daartegenover, strak in het gelid, moesten wij allemaal toekijken.
Boog iemand het hoofd, dan richtte de slag van een geweerkolf dat weer op.
Waren wij het zelf die we in ons binnenste gadesloegen terwijl onze blikken staarden naar die spartelende, langzamerhand verstijvende lichamen?
Urenlang werden we verplicht om getuige te zijn van laatste stuiptrekkingen van een levenswil.
Met zijn elven verkozen ze het risico van ophanging voor een leven in vrijheid boven de langzame dood die in de plannen van de nazi’s ingeschreven stond.
Elf Poolse metselaars, tien en hun Kapo, afkomstig van Katowice daar vlakbij.
Ons aller blikken, door geweerkolven gedwongen, op die lichamen gericht. In het bijkamp van Auschwitz, het kamp van de onontkoombare dood.
Ik denk dat ik zowat de enige was die huilde om die ‘brave’ socialistische, antifascistische, antisemitische Kapo.
Auschwitz, gezongen wee
In de zomer van 1944, meer dan een halve eeuw geleden, zijn twee van degenen die met mij ellende en commando deelden in het kamp van Jaworzno, op heel verschillende maar veelzeggende manieren om het leven gebracht. Deze twee waren me lief.
De ene, Henri, een Belgische Jood, verzetsman en vroegere antifascistische commandant tijdens de Spaanse burgeroorlog, toen al een strijder voor de best mogelijke democratie.
Helaas valt die niet meer te verdedigen met dorsvlegels en gaffels – werktuigen in tijden van vrede – maar alleen nog met mitrailleurs, met kanonnen, om het hoofd te bieden aan de meest moordende wapens van die periode.
Henri, dus, zegt me op een avond na een afmattende kampdag, die niet anders is dan de andere, op vermoeide toon: ‘Ik kán niet meer!’
Mijn vraag:
‘Was je dag erger dan andere?’
‘Nee, ik krijg mijn armen niet meer omhoog, ik ben aan het eind van mijn krachten.’
En we strekten ons allebei uit op dezelfde strozak voor onze vertrouwde, door nachtmerries gekwelde slaap. ’s Morgens werd ik wakker naast een stijf, koud lichaam.
Nu hij zijn waakzaamheid had laten verslappen, had elk weerstandsvermogen hem verlaten.
De regel, vandaag zoals gisteren, is: nooit je waakzaamheid laten verslappen, nooit je armen laten hangen, als je je kinderen, alle toekomstige kinderen, een leven van vrede en liefde wil schenken.
***
De andere, die we Greco noemden, ooit dokwerker in de haven van Saloniki, lid van dezelfde ploeg grondwerkers als ik, neuriede al spittend zachtjes altijd hetzelfde liedje, waarvan ik het begin onthouden heb: een gewoonte die hij daarginds had aangenomen terwijl hij zware lasten droeg.
Maar Jaworzno is Saloniki niet, en SS’ers zijn wat anders dan ploegbazen in vredestijd.
Ik, oudgediende in het kamp, die door honderden schoppen met laarzen en slagen met gummiknuppels de mentaliteit van onze beulen-moordenaars had leren kennen, zei hem keer op keer: ‘Zij, de SS’ers, kunnen misschien wel verdragen dat je onder hun stokslagen en martelingen gilt van pijn en angst, dat je je ogen leeghuilt. Maar dat je neuriet, wordt hier een vloek, een belediging voor hun systeem, voor hun wil om je te vernietigen.’
En dus hebben ze hem op een van die bloedhete augustusdagen in 1944 met zijn eigen spade en met schoppen van hun laarzen vermoord. Om aan zijn armzalige leven een einde te maken zou heel wat minder nodig zijn geweest, maar dan was ook hun plezier minder groot geweest.
Deze herinneringen komen naar boven uit het diepst van mijn geheugen, waar ik ze samen met vele andere had begraven.
Auschwitz, dwangidee
In dit oord van eenzaamheid en schoonheid
Château-sous-Bois
Vijftigste verjaardag
Van mijn vrijheid
Vijftig jaar leven
Die ik aan de dood heb ontrukt.
De verbintenis
Door de gruwel heen
Zou vandaag en morgen
In een nooit eindigende strijd
De waardigheid van ieder mens moeten doorbreken.
Hevig
Willen leven
Hartstochtelijk willen beminnen
Uit angst om oud te worden.
Het leven
Pijnlijk, eindeloos
Willen omarmen
Uit angst voor de noodlottige leegte.
Ontsnappend aan de moedeloosheid
Door woede, verontwaardiging,
Bedien ik me van het verleden
Om het heden op te bouwen
En de toekomst te vrijwaren
Voor de komende generaties.
![]() Overleven |
Jij, Ben jij echt de bedelaar, De bedelaar van Jaworzno? Voor altijd gebrandmerkte schande Nooit meer hoeven te bedelen |
