Mijn eerst dag van de Dodenmars
Jaworzjno - Dachau
Het ergste van het ergste, de Dodenmars, of liever de Dodenmarsen.
Zoals in de kampen, waar 1942 niet 1943 was – de verschrikkelijkste jaren – en 1944 minder zwaar dan 1943, waren er ook bij de marsen verschillen. Voor sommigen duurde ze een maand, voor anderen bijna drie. Maar voor iedereen was het leed onbeschrijflijk.
Half januari 1945.
’s Avonds bulderen de kanonnen, de Sovjets komen dichterbij.
We zijn in een colonne bijeengedreven. Omringd door SS’ers worden we weggevoerd uit het bijkamp Jaworzjno, een heel brood tussen huid en hemd weggestopt, een deken over de schouders. Heb ik die gekregen of gejat? Achteraan strompelen de patiënten uit de ziekenboeg.
Ik ben geen historicus. Ik vertel u wat mijn geheugen onthouden heeft. Ik beperk me tot mijn eerste etmaal.
De colonne rekt zich uit, de klompen knarpen in de sneeuw; het is -20/25/30°C. Een hallucinerende mars begint. Af en toe kraken geweerschoten: de SS’ers maken iedereen af die niet meer verder kan of wil, want wie achteraan sukkelt, remt het tempo van de geforceerde mars af.
Hier zijn geen privileges meer: kapo’s, blokoversten, zaaloversten, allen zijn ze aan dezelfde terreur onderworpen. Eindelijk gerechtigheid???
Bij dageraad laten de SS’ers ons voor een schuur stoppen. De poorten gaan open. Het gevecht om een schuilplaats begint.
Tot barstens toe opeengepakt kruipen de gevangenen kermend en kreunend naast en op elkaar. Niemand spreekt.
Maar niet iedereen is binnengeraakt, ook ik niet. Er zat niets anders op dan me, in mijn deken gerold, uit te strekken in de sneeuw.
En nog altijd die razernij in mijn lijf, de razende drang om te leven, om dit onrecht te overleven, die ik de hele kamptijd voelde en die me ook die keer in staat stelde een paar uur later weer op te staan. Nog altijd zo fortuinlijk?
Want toen gingen de schuurpoorten open en mijn lotgenoten kwamen naar buiten, behalve diegenen die verpletterd waren, gestikt onder het gewicht van hun buren of gewurgd door anderen die het brood wilden inpikken waarvoor ze niet meer de kracht hadden gehad het aan te breken.
En de mars komt opnieuw op gang, tot aan het volgende dorp, waar de burgemeester iedereen twee bevroren bieten geeft: diarree gegarandeerd.
En nog maar eens gaat de mars verder.
We zijn in een toestand van verdwazing, van waanzin bijna. We stappen en slepen ons voort als geesten. Sommigen houden zich aan elkaars arm overeind.
Mijn twee makkers, één links, één rechts, kijken me om beurten met een verwilderde blik aan. De eerste zegt: ‘Kijk, dat zijn geen SS’ers die ons bewaken, het zijn soldaten van het Rode Leger die ons naar de vrijheid voeren!’
En de tweede: ‘Konden we maar terug naar ons kamp in Jaworzjno!’
De nacht is gevallen. Ik stop nu met het verhaal van dat eerste etmaal. Ik zou dagen nodig hebben voor de tweeënhalve maand foltering die hierop volgden en de vier kampen waar ik duizenden keren had moeten sterven alvorens te worden bevrijd. Dat was op de vooravond van 1 mei 1945 in Dachau.
Net zoals de bokser die neergeslagen op de grond ligt, weer opstaat als de gong klinkt, in zijn hoek gaat staan en zijn wonden stelpt, vastbesloten om het gevecht voort te zetten, wilde ik – nog maar eens – de dood overwinnen.
Als je het over solidariteit of menselijke waardigheid wil hebben, moet je die niet gaan zoeken in de concentratie- of vernietigingskampen, met uitzondering van een paar zeldzame plaatsen of personen.
Het is hier en nu, met u, en morgen, dat die waardigheid en solidariteit tot uiting moeten komen als reactie op de weerzinwekkende monsters van alle autoritarismen, nazisme en fascisme. Ze dwalen al sinds lang rond en zullen dat nog lang doen als we ze niet bestrijden.
Auschwitz-Birkenau, het grootste kerkhof ter wereld, zo is weleens gezegd. Kerkhof, dat betekent stilte, vrede, ingetogenheid.
Nee, Auschwitz-Birkenau is een plek die doordrenkt is met bloed en bedekt met de as van miljoenen mensen die schreeuwen: ‘Dit nooit meer’.
Luister ernaar.
Dat is al wat wij allemaal wilden.
Helaas!!!
